Blog
Leuvense kennisnetwerken tussen studenten en geleerden
2nd June, 2025 in Author’s corner

In het boek ‘Lessen uit het verleden’ vind je niet alleen vele korte bijdragen, maar ook acht interviews. Dit is een voorproefje op het interview met David de la Croix, Margherita Fantoli en Violet Soen, die respectievelijk de disciplines economie, linguïstiek en geschiedenis beoefenen. Ze werken samen aan een interdisciplinaire onderzoeksprojecten tussen Louvain-la-Neuve en Leuven. David de la Croix onderzoekt aan de UCLouvain de relatie tussen onderwijs en economisch ‘menselijk kapitaal’ aan de hand van de door hem ontwikkelde ‘human capital index’. Margherita Fantoli doceert digital humanities aan de Faculteit Letteren van de KU Leuven, in het bijzonder de computationele benaderingen van klassieke teksten en Latijnse teksten. Violet Soen bekleedt aan de KU Leuven de leerstoel intellectuele en religieuze geschiedenis van de nieuwe tijd en coördineert op het gebied van boek- en universiteitshistorische projecten, zoals de onderzoeksinfrastructuur STUDIUM.AI.
Waarom is deze oude druk zo interessant voor jullie?
Margherita: Dit traktaat van de bekende humanist Justus Lipsius (1546-1606) brengt een kritische editie en een commentaar op de klassieke auteur Plautus. Zo toont dit boek duidelijk aan dat het antieke erfgoed een cruciale rol speelde in het intellectuele leven van universiteiten tijdens de vroegmoderne periode. Hoewel er reeds eerder kritische tekstuitgaves bestonden, begon men vooral in de humanistische periode verschillende versies van dezelfde tekst te vergelijken om varianten vast te stellen. Ik vind een dergelijke benadering bijzonder fascinerend. Op lange termijn wil ik graag de gedigitaliseerde versies van dit soort boeken inzetten voor datamining en verdere inhoudelijke studie. Zo kan ik diepgaande tekstanalyses uitvoeren om tendensen in de culturele overlevering van die tijd te onderzoeken.
David: Dit prachtige boek boeit me vooral omdat ik dit soort geleerde traktaten gebruik om ‘menselijk kapitaal’ – de intellectuele productie en output van mensen – te kwantificeren en in een ranking weer te geven. In mijn studie van de netwerken van Leuven en Leiden eindigt Justus Lipsius, de beroemde Leuvense professor, steeds bijzonder hoog in die ranking. Als invloedrijke humanist verspreidde hij zijn filosofische ideeën via talloze publicaties en vertalingen. Zijn naam is nog steeds verbonden met verschillende universitaire gebouwen en met het Justus Lipsiusgebouw, de hoofdzetel van de Raad van de Europese Unie in Brussel.
Een bijzonder intrigerend aspect van Lipsius is zijn mobiliteit. Tijdens zijn academische carrière pendelde hij tussen Leiden en Leuven. Dit illustreert voor mij hoe in die tijd de beste wetenschappers werden aangetrokken om te doceren aan de topuniversiteiten. Zo ontstonden internationale kennisstromen en netwerken van expertise.
Violet: Justus Lipsius is zonder twijfel een van de meest invloedrijke geleerden uit de Lage Landen, en hij wordt vaak genoemd als de voornaamste figuur van de hernieuwde stoïcijnse filosofie. Maar voordat hij zich in Leuven vestigde, leidde hij een zeer mobiel leven. David wees net op zijn vele reizen tussen het calvinistische Noorden en het katholieke Leuven in de Zuidelijke Nederlanden. Allereerst verliet Lipsius Leuven om in het Duitse Jena te gaan doceren. Hier bevond hij zich in een lutherse omgeving, te midden van de religieuze strijd en de godsdienstoorlogen van die tijd. Hij was daar niet echt gelukkig. Daarna vertrok hij naar Leiden, dat toen onder calvinistisch bestuur stond. Hoewel men geen calvinist hoefde te zijn om er te doceren, behalve als theoloog, laat Lipsius’ verblijf in een calvinistisch gebied zien dat hij zich goed kon aanpassen aan verschillende religieuze contexten. Meerdere jezuïeten zouden uiteindelijk helpen om Lipsius te doen terugkeren naar Leuven en hem daarvoor de nodige geloofsbrieven aan de hand te doen. Lipsius belichaamt zo enerzijds de mobiele Europese geleerde die rondreisde tussen intellectuele centra, terwijl hij anderzijds zijn eigen weg zocht in de toenemende religieuze diversiteit en polarisatie van zijn tijd.

Waarom blijft dit onderwerp interessant en relevant voor onze generatie?
Violet: We hebben alle drie een eigen specifieke interesse in deze uitgave van Justus Lipsius. Als we het boek samen bestuderen, richten we ons weliswaar niet zozeer op de inhoud, maar op de ‘data’ en de gegevens die erbij horen. We vinden die ‘metadata’ gewoonlijk via de universiteitsbibliotheek of catalogi. Deze editie is niet alleen beschreven in de catalogus van de universiteitsbibliotheek van UCLouvain, maar ook gedigitaliseerd binnen de portaalsite Lovaniensia, die vroegmoderne drukken geassocieerd met leden van de Leuvense universiteit samenbrengt. In onze verschillende datasets voegen we veel extra datapunten toe, niet alleen om de inhoud te analyseren, maar vooral om de gegevens uit het boek te koppelen aan personen en plaatsen en zo sociaalnetwerkanalyse mogelijk te maken.
Margherita: Inderdaad, we bekijken boeken niet als op zichzelf staande objecten, maar als producten van een bredere omgeving waarin mensen samenwerkten en betrokken waren. Het is immers erg moeilijk om vanuit het heden contacten en samenwerkingsverbanden uit het verleden te reconstrueren. We willen namelijk niet alleen het leven van individuele mensen of de geschiedenis van specifieke boeken bestuderen, maar vooral de samenleving en de netwerken als geheel. Het is niet vanzelfsprekend om manieren te vinden om deze context naar voren te brengen, maar wiskundige methoden kunnen ons helpen om dit netwerk te ontrafelen.
Een belangrijk aspect dat we onderzoeken, is hoe de academische uitgeversmarkt een voorbeeld is van het intellectuele netwerk rondom de universiteit van Leuven. We willen vooral begrijpen hoe dit netwerk is ontstaan en welke sociale dimensie eraan verbonden is, en niet alleen de academische output van enkele afzonderlijke werken bestuderen. Daarom zijn we geïnteresseerd in deze collecties als geheel; ze bieden ons waardevolle inzichten en verklaringen.
David: Het is altijd delicaat om parallellen te trekken met gebeurtenissen uit het verleden, maar als we kijken naar de toenmalige katholieke wereld, de uitgevers, de professoren en de studenten, zien we dat dit milieu ons ook wel veel informatie biedt over de huidige academische wereld.
Ik wil dit graag benadrukken aan de hand van drie elementen. Ten eerste, mobiliteit was in het verleden belangrijk, en ik denk dat het vandaag nog steeds cruciaal is voor het succes van universiteiten. We willen graag collega’s aantrekken uit verschillende internationale regio’s. Daarnaast geloof ik dat het academische wereld ook verbonden is met een soort meritocratie. Hoewel het universitaire systeem in het verleden nepotistische trekjes vertoonde, was er ook een duidelijke focus op verdienste. Mensen werden aangenomen op basis van hun disputationes, net zoals we tegenwoordig kandidaten uitnodigen voor een seminarie en hun prestaties met die van anderen vergelijken. Daarom blijven publicaties ook vandaag van groot belang.
Het derde aspect dat Violet al introduceerde, is de politiek-religieuze dimensie, waarbij de opkomst van protestantse, lutherse en calvinistische stromingen echte muren binnen de academische wereld optrok. Lipsius bevond zich aan het begin van deze periode en slaagde erin die muren te doorbreken, maar nadien werd het moeilijker. Ook tegenwoordig is het een probleem wanneer dergelijke muren de uitwisseling van ideeën en de mobiliteit van mensen in de academische wereld belemmeren.
Violet: De onderzoeksinfrastructuur STUDIUM.AI bouwen we op door het samenvoegen van verschillende datapunten. Hierdoor kunnen we clusters en netwerken over verschillende datasets heen zichtbaar maken, die anders misschien niet opvallen bij het bekijken van afzonderlijke geraadpleegde exemplaren door een historicus, latinist of econoom. Op deze manier beginnen we patronen te ontdekken in een lang vervlogen verleden.
Daarnaast kunnen we met onze datasets nieuwe vragen stellen over onderwerpen die we nog niet eerder hebben onderzocht, zoals gender. Zo zou je kunnen stellen dat de academische wereld ooit een mannenbastion was, waar universiteiten uitsluitend toegankelijk waren voor mannelijke studenten. Als we naar Lipsius kijken, zien we dat hij trouwde met Anna Vandecalstere; zij was toen al weduwe van zijn huisbaas in Leuven. Toen hij naar Jena vertrok, weigerde zijn echtgenote mee te gaan omdat ze niet naar lutheraans gebied wilde. Uiteindelijk keerde hij terug naar Leuven, waar ze weer samenwoonden. Hoewel zijn vrouw altijd op de achtergrond aanwezig is, komt ze nooit als centrale figuur naar voren in de bronnen. Maar door het aggregeren van data in onze onderzoeksinfrastructuur STUDIUM.AI krijgen we toegang tot een schat aan informatie van diverse personen. Zo ontdekken we almaar meer vrouwen in de bronnen, zoals in de matrikels waar soms vrouwelijke drukkers worden genoemd. Ook vinden we almaar meer verwijzingen naar de echtgenoten van professoren, vooral in de rechtenfaculteiten, waar huwen was toegestaan. Aangezien dit een onderbelicht onderwerp is, is het de moeite waard om deze dataverzameling nieuw vorm te geven.
David: Het parallel bestuderen van verschillende universiteiten en het in kaart brengen van de intellectuele productie, zoals het boek waarover we het hebben, toont aan dat universiteiten vaak een cyclus doorlopen: ze worden opgericht, groeien vaak snel, bereiken een hoogtepunt en kennen daarna een neergang. Dit patroon lijkt zich steeds weer te herhalen in de Europese geschiedenis, en dat vind ik bijzonder interessant.
Violet: Een van onze interdisciplinaire onderzoeksprojecten heet ‘De Gouden Eeuw van Leuven’ en richt zich op de periode tussen 1550 en 1650. In mijn onderzoek kijk ik naar het schisma tussen katholieken en protestanten en de segregatie binnen het universitaire landschap, waar protestantse universiteiten zich afscheiden van katholieke universiteiten. Hierdoor vergrootte de kloof tussen de verschillende systemen almaar meer. Toch is er ook een andere tendens waar te nemen: Lipsius bleef een tussenpersoon tussen universiteiten van verschillende confessionele achtergronden. Tot het einde van de achttiende eeuw zien we mensen die als makelaars tussen christelijke confessies optreden in deze internationale Republiek der Letteren, een metafoor voor de correspondentie tussen geleerden in vroegmodern Europa.
